Is het advies om te doen wat je wilt, jezelf worden, eigenlijk niet een vorm van zware emotionele mishandeling? Als je je afvraagt hoe gelukkig je bent, in de breedste zin van het woord, wat voor cijfer geef je dat dan van één tot tien? Als je continu boven de acht zit, behoor je wat mij betreft tot de categorie blije eien. Dit zijn de leugenaars, de ongevoeligen, de mensen die niet eens weten dat ze lijden. Je behoort tot de groep die denkt dat de mens een wezen is dat in principe gelukkig kan worden, en dat de wereld ook zo in elkaar zit dat dat mogelijk is. Dat er een een-op-een match is tussen wat wij willen en wat de wereld ons kan geven. Lijden wordt immers veroorzaakt doordat er een discrepantie is tussen wat we willen en wat de wereld ons biedt. Op zich is het raar dat je dit artikel leest, want waarom zou je, als je het toch al voor elkaar hebt, een verhaal als dit lezen?
Zit je zo tussen de zes en acht? Dan behoor je tot de optimisten. Die hebben wel het besef dat er van alles aan je leven schort, maar hebben nog de vage hoop dat er iets te redden valt – alleen weet je niet goed hoe, en daarom lees je een stuk als dit. Maar tips die je krijgt in zelfhulpboeken, zullen niet werken. Je hebt hoop, maar ik ga je vertellen dat die hoop niet gerechtvaardigd is. In ieder geval is het zo dat je weet dat de match tussen je behoeften, wensen en wil aan de ene kant en de wereld aan de andere kant niet een-op-een is. Dat betekent dat je geleerd hebt dat je of de wereld moet aanpassen, of jezelf.
Zit je onder de vijf? Dat zijn de onredbaren. Diegene die weten dat de situatie onhoudbaar is en het vooruitzicht op redding nihil. Jou zal ik niets nieuws vertellen. Oftewel: blije eien hebben geen hulp nodig, de optimisten kan ik niet helpen en de pessimisten weten zelf ook wel dat ze niet gered kunnen worden, dus dit is eigenlijk een stuk zonder duidelijke doelgroep. Maar enfin. Laat ik maar beginnen.
Eerst maar even een belangrijk basisidee over wat voor soort wezen de mens is. Een van de grote verschillen tussen mens en dier is dat de mens bij geboorte een raar soort halfproduct is. Een kalf weet bij de geboorte precies wat te doen. Die heeft geen keuzestress, geen identiteitsproblemen, denkt niet ‘was ik maar een paard geweest’. Nee, hij leeft in het moment, heel mindful, en dan gaat ‘ie dood. Een kalf wordt vanzelf een koe, maar de mens kun je meer vergelijken met een verzameling legosteentjes. Eerst moet je ontdekken welke steentjes je precies hebt, en vervolgens kun je zo nog op verschillende manieren in elkaar zetten. De vraag is dan hoe je dat het beste doet. Wat, met andere woorden, is het bouwplan?
Als je kind vroeger naar je toe kwam met de vraag wat hij of zij nou moest doen met zijn of haar leven, dan was het antwoord vrij simpel. Als het kind een vrouw of een slaaf was, dan had het sowieso geen keus. En voor mannen waren een paar antwoorden beschikbaar: je gaat iets doen wat bij de status van je familie past, wat je religie je voorschrijft, iets wat je vader al deed, of iets waarmee je je brood kan verdienen en je familie kan onderhouden.
Maar voor ons voldoen dat soort oplossingen niet meer. Wij leven in het tijdperk na de dood van God – wat niet betekent dat er ergens een rottend lijk op een wolk ligt, maar dat de oriëntatiepunten die als richtingwijzers fungeerden – het ware, het goede en het schone – geen fundering meer hebben. Dat betekent dat we hebben ontdekt dat er geen blueprint is, geen bedoeling, geen bouwplan en geen opperwezen dat over ons waakt. Op zich is dat een fijn idee: eindelijk autonoom, kleine kinderen worden groot, en net als met lego hoef je je ineens niet meer aan het boekje te houden, en dat is leuk. Je kunt zelf beslissen waar je naartoe gaat, wie of wat je wordt. Maar het geeft ons twee grote problemen. Het eerste is dat we nu zelf dus die bouwplannen moeten maken. Het tweede is dat we daarmee voor het eerst helemaal zelf verantwoordelijk worden voor ons lot, voor ons slagen én falen. We kunnen het opperwezen niet langer de schuld van onze ellende geven.
Dus wat zeggen we tegen onze kinderen? Dat komt volgende week aan de orde.
Dank: Menno de Bree


