Duurzaamheid is voor veel organisaties nog steeds een apart beleidsterrein. Iets waarover wordt gerapporteerd, waar KPI’s voor worden opgesteld en waar af en toe een specialist voor wordt ingehuurd. Maar organisaties die ook over tien of twintig jaar nog relevant willen zijn, kunnen zich die benadering niet meer permitteren.
Uit onderzoek blijkt dat slechts één op de drie bestuurders en toezichthouders voldoende kennis heeft om het management werkelijk uit te dagen op duurzaam ondernemerschap. Tegelijkertijd zegt een grote meerderheid de strategische kansen en risico’s van duurzaamheid te begrijpen. Dat verschil tussen overtuiging en bekwaamheid is veelzeggend. Duurzaamheid wordt erkend als belangrijk, maar is nog onvoldoende onderdeel van de manier waarop organisaties besluiten nemen.
Juist daar ligt de uitdaging. Toekomstbestendige organisaties onderscheiden zich niet doordat zij een duurzaamheidsafdeling hebben, maar doordat duurzaamheid verweven is met hun strategie, cultuur en leiderschap. Het is geen compliancevraagstuk, maar een vraag naar de maatschappelijke rol van de organisatie en de manier waarop zij waarde creëert voor klanten, medewerkers en de samenleving.
Dat vraagt om bestuurders en toezichthouders die verder kijken dan de kwartaalcijfers. Zij moeten in staat zijn ontwikkelingen over tien of twintig jaar te overzien, de belangen van verschillende stakeholders zorgvuldig af te wegen en moeilijke keuzes te maken wanneer economische en maatschappelijke belangen elkaar raken. Die competenties zijn nog te weinig onderdeel van werving, selectie en ontwikkeling van bestuurders.
Opvallend is bovendien dat veel toezichthouders voor hun beeldvorming vooral afhankelijk zijn van informatie vanuit het management. Externe deskundigheid wordt wel ingezet, maar de tijd om die inzichten echt te doorgronden ontbreekt vaak. Daarmee ontstaat het risico dat duurzaamheid een onderwerp van rapportages blijft in plaats van een kompas voor strategische besluitvorming.
De organisaties die hierin vooroplopen laten een ander beeld zien. Zij beschouwen duurzaamheid niet als een verplicht nummer, maar als een bron van innovatie, veerkracht en continuïteit. Zij begrijpen dat vertrouwen ontstaat wanneer een organisatie laat zien dat zij niet alleen waarde onttrekt aan haar omgeving, maar er ook duurzaam aan bijdraagt.
Misschien is dat wel de belangrijkste vraag voor bestuurders en toezichthouders. Niet hoe zij kunnen voldoen aan de volgende ESG-richtlijn, maar hoe zij een organisatie bouwen die ook over twintig jaar nog vertrouwen wekt. Want uiteindelijk is duurzaamheid geen doel op zichzelf. Het is een voorwaarde voor organisaties die wendbaar, geloofwaardig en toekomstbestendig willen blijven.
Bron: onderzoek van Heidrick & Struggles en Insead Corporate Governance Centre


