Om te kunnen begrijpen wat zinvol en betekenisvol betekenen, dachten we eeuwenlang dat we naar de kern van de dingen moesten kijken.
Ergens in de 19e eeuw (zeg maar vanaf de industriële revolutie) zzijn we tot andere gedachten gekomen. De kern ligt erbuiten, de betekenis van bijvoorbeeld zinvol werken ligt in een grotere structuur. En dit inzicht heeft zich verder ontwikkelt. Er werd ontdekt dat structuren en betekenissen beide steeds veranderen.
Dit is belangrijk. In die ontwikkeling kreeg hiërarchie een steeds belangrijkere rol. Dit komt omdat in die betekenis hiërarchie steeds belangrijker werd. Het één wordt belangrijker dan het ander (denk aan aanwezigheid/afwezigheid, man/vrouw, baas/arbeider, manager/mede-werker). Dan wordt er waarde toegekend aan beide polen, waarbij de een ondergeschikt wordt gemaakt aan de ander. Om uit een vastgeroest patroon te komen is het belangrijk dit los te weken.
Om uit zo’n vastgeroest patroon te komen zijn dan vragen te stellen, zoals “wat vinden we gewoon?” “is die hiërarchie vanzelfsprekend?” “Waar komt dat vandaan?” “En kan dat ook anders?”
Die vragen maken ook heel duidelijk dat bij beantwoording er sprake moet zijn van openheid. Dus dat verschillen tussen mensen ertoe leiden dat situaties anders beleefd kunnen worden. Denk nu eens aan het menselijke. Als dat binnen de hiërarchie niet zo belangrijk wordt geacht, raakt onderbelicht en heeft het vaak moeilijk. We moeten daar meer aandacht aan besteden.
Een voorbeeld waarbij daarin successen zijn geboekt, is zinvol en betekenisvol doen van werk. Zinvol en betekenisvol werken wordt steeds gewoner. Eigenlijk vanaf de industriële revolutie was werd oen om geld te verdienen en steeds meer geld te verdienen het gewone, het normale, het natuurlijke. Zinvol en betekenisvol was voor de geitenwollen sokken figuren. Daar wilde je niet bijhoren. Inmiddels is er meer acceptatie voor gekomen, doordat we zijn gaan ervaren dat zinvol en betekenisvol werk doen net zo gewoon en natuurlijk is. En het lijkt erop dat met name door de aandacht voor duurzaamheid en ook door de ervaringen met Corona juist deze begrippen steeds belangrijker worden.
Vastgeroeste denkpatronen zorgen er niet alleen voor dat we denken dat geld-verdienen de norm is, maar we voélen dat in onszelf als iets dat gewoon is, alsof het nu eenmaal zo hoort. Het is echter niet zomaar gewoon en natuurlijk, het is een culturele verworvenheid, die in de loop der tijd tot stand gekomen is. Er is nu veel aandacht voor zinvol en betekenisvol werd oen. Dat is gekomen door een ontwikkelproces in ons bewustzijn, in ons mens-zijn dus.
Het is niet eenvoudig om te zien hoe de tijd waarin je leeft je beïnvloedt, en het is lastig om deze kaders van je af te schudden. Cochin-approach wil helpen om uit deze vastgeroeste denkpatronen (of zoals Cochin dat zegt “karrensporen”) te komen.
In ons digitale tijdperk lijken de mogelijkheden om elkaar te leren kennen eindeloos. Niet alleen face-to-face, maar ook online. Soms krijg je het gevoel dat mensen juist eerlijker zijn online, en dat je elkaar daarom zelfs beter leert kennen. Alleen, is dat zo? Wanneer ken je iemand nu echt? Zelf heb ik ervaren dat als je jarenlang bevriendt bent zich het vreemde gegeven kan voordoen dat hoe langer je bevriendt bent, hoe meer je het gevoel krijgt dat je diegene helemaal niet kent.
Ik ben mij er van bewust geworden dat je in zijn totaliteit je nooit iemand zal kennen. Je kunt mensen weliswaar in bepaald opzicht heel goed kennen, maar dat heeft te maken met dingen die je helemaal niet kunt benoemen. Dat gaat niet zozeer over weten, maar over aanvoelen.
Zelfs als je denkt je identiteit te hebben gevonden, moet je concluderen dat je altijd een rol speelt. Als je ’s ochtends je kleding aantrekt, bevestig je daarmee opnieuw je identiteit. Het zijn symbolen waarmee je naar buiten uitdraagt wie je bent. Maar wat ben je uiteindelijk van die verzameling spullen? Of je het nu bewust doet, of onbewust: je speelt altijd met je identiteit.
Zelfs als je denkt te weten wie je bent, valt dat te betwijfelen. We raken gewend aan een bepaalde stijl of imago, wat langzaamaan ‘natuurlijk’ gaat aanvoelen. Dat is het uiteindelijk nooit, het is aangeleerd gedrag.
Dat je denkt ‘dit hoort echt bij mij’, komt dat niet zozeer doordat het vanuit jezelf komt, maar doordat je een stijl imiteert. Mode is daar een goed voorbeeld van. Als je denkt dat je een bepaalde stijl of een bepaald persoon heel aantrekkelijk vindt, is het goed om je te realiseren dat dit in grote mate cultureel bepaald is. Nog geen twee eeuwen geleden liepen mannen nog met pruiken. Nu zouden we dat niet meer aantrekkelijk vinden, maar toen vonden mensen dat daadwerkelijk mooi. We zijn geneigd om te denken dat zeer contextgebonden factoren natuurlijk zijn.
Wie je bent, staat niet in steen gebeiteld. Het is interessant om te zien hoe mensen op je reageren als je van identiteit wisselt. Denk aan de film GREASE. Sandy uit de film Grease ziet er niet alleen mooi uit, maar zij laat ook zien wat de kracht van transformatie is. Zij ging van een tuttig jaren 50 meisje naar een coole disco girl. Je kan kiezen wie je wilt zijn, en je kan verschillende identiteiten combineren.
In de film Desperately Seeking Susan speelt Madonna een meisje dat ook een ander imago aanneemt. Stoer, tussen ordinair en punk in. Daarmee verandert niet haar stijl, maar ook haar leven. Het rollenspel maakt andere ervaringen mogelijk. In Express Yourself bezingt Madonna dat onuitputtende vermogen van de mens om zichzelf vorm te geven. Ze zingt dan ook dat je nooit zomaar een geliefde moet nemen, maar dat hij interessant moet zijn en geïnteresseerd in wat er in je hoofd omgaat.
Allemaal voorbeelden van rollen die je als mens kan spelen en dient te spelen. De vraag alleen is ook “in wat voor rol wil je topacteur worden”. Volgens Cochin-approach is dat de kern van persoonlijke ontwikkeling. En juist daar is werk-doen een perfect hulpmiddel bij. Vandaar dat Cochin-approach “mens” als startpunt neemt van ‘werk-doen, als uitgangpunt en als basis neemt voor de dagelijks werk.
Bewerking van: Jannah Loontjens

