Ik heb trek in een lekkerbekje dus ga bij de visboer naar binnen. Twee heren eten een haring. Een van hen heeft een gigantische snor waar stukjes ui in blijven hangen. Ik ken de mannen niet, maar moet mezelf ongeveer vastbinden om er niks van te zeggen. En ik blijf maar kijken. Waarom eigenlijk? Het is sterker dan ikzelf. Alsof ik in de file langs een ongeluk rijd. Je wil niet kijken, maar je gaat toch langzamer rijden. Ik zie alleen nog maar meedeinende stukjes ui. Met als bijvangst dat ik hun gesprek kan volgen.
De snor vraagt of we zo langzamerhand niet een beetje oververhit raken. Ik ken dat gevoel. Alsof je met z’n allen net iets te lang in een huisje van Center Parcs zit terwijl het de hele week regent. Iedereen nukkig en op dag twee al ruzie over de afstandsbediening terwijl er niets op tv is. Totaal uitgeluld sjok je op dag drie minimaal viereneenhalve meter uit elkaar door de motregen naar het spareribs restaurant en na een week ben je godsnakend blij dat je ’s morgens weer naar je werk mag. Terwijl je fluitend wegrijdt zie je nog net in de achteruitkijkspiegel dat je vrouw je met haar middelvinger staat uit te zwaaien. Dat gevoel.
Maar dat bedoelt de snor niet. Hij heeft het over ‘de wereld’. Iedereen is zo opgefokt. Zijn vriend, die we maar even de kale noemen, vooral om de aandacht af te leiden van zijn enorme oren, is het roerend met hem eens. Ze snappen het hele punt ook niet. Iedereen is toch tegen racisme? Die paar gekken die nog discrimineren, moeten gewoon even aangesproken worden. Maar Akwasi hoeft zich natuurlijk niet zo te laten gaan op de Dam. En Beau schreeuwde helemaal niet in zijn talkshow. Johan Derksen vatte het heel goed samen toen ie zei dat demonstranten vooral ‘normaal’ hun punt moeten maken. Niet zo overdreven zeg. En dan die standbeelden. Is toch zonde! Weet je nog dat de Irakezen het beeld van Saddam Hoessein naar beneden haalden en met schoenen op zijn gezicht trapten? Die hadden echt iets om boos op te zijn. Zo meteen gaat Jan Pieterszoon Coen in Hoorn er ook nog aan en slaan talloze huisvrouwen hun Uggs stuk op zijn bronzen snor! Zo jammer. Het is nu juist zo’n gezellig pleintje.
Ik wil van alles zeggen, maar ik sla dicht. Ik zeg niet dat het misschien wel juist die opgefokte-niet-te-stoppen-uit-de-tenen-toon is die meer zegt dan de woorden zelf. Die aangeeft hoe diep het zit. En dat wij daar ondanks onze goede bedoelingen blijkbaar geen idee van hebben. Dat tienduizenden niet voor de lol anderhalve meter negeren, puur omdat ze even geen zin meer hebben in rummikubben thuis (eigenlijk stond hier dammen, maar dat vond ik met die zwart witte vlakken een beetje raar). Dat ik denk dat het niet aan ons is om te zeggen dat we heus wel geloven dat racisme nog bestaat, maar dat je dat toch ook normaal kan zeggen? Dat zwarte mensen vragen om hun toon te matigen hetzelfde is als mijn vrouw die roept dat ik heus wel met de deuren mag slaan, maar niet tijdens een ruzie. Het moet eruit en het komt eruit. Dat ik onder de indruk van de noodzaak waarmee het gebeurt en me afvraag me af of ik zelf eigenlijk wel zo onbevooroordeeld ben als ik altijd dacht? Maar vooral dat ik blij ben dat er eindelijk weer eens mensen de straat op gaan om iets te veranderen in plaats van mensen die willen dat alles hetzelfde blijft. De stikstofuitstoot, ons pensioenstelsel, de maximum snelheid en zwarte piet. Ik wil het allemaal roepen en fantaseer een lange volzin waar geen speld tussen te krijgen is. Blijkbaar murmel ik al iets, want de heren kijken me aan en vragen: “Wil je wat zeggen?” Ik stamel en zeg: “Er hangt een stukje ui in uw snor”. De mannen lachen uitbundig en bedanken me. Zo gaat het dus, in twee minuten van lekkerbek naar lafbek.
Richard Kemper


