Wielrenners spreken er vaak niet over. Toch heeft een groot aantal van hen last van erectiestoornissen. Bij een onderzoek onder 1768 amateurs in de buurt van de Duitse stad Keulen bleek dat dit probleem bij fietsers driemaal zo vaak voorkwam als bij heren die niet aan wielrennen deden. Is dit nu echt een probleem en hoe zit dit dan?
Het onderzoek.
Frank Sommer van het plaatselijke academisch ziekenhuis liet sportieve mannen naar het laboratorium komen en bevestigde een elektrode op hun eikel. Daarmee kon hij de zuurstofdruk in hun penis meten.
Vervolgens klommen de heren op een racefiets voor een training van een halfuur. Tijdens het fietsen bleek de bloedtoevoer naar de penis aanzienlijk te verminderen. Een deel van de mannen mocht na een kwartier even in staande positie verdergaan. Bij hen begon de toevoer van bloed naar het geslacht vrijwel meteen weer te stijgen.
Wat is er aan de hand
Bij het zitten op het zadel leunt het gehele gewicht van de fietser op zijn perineum, het stuk tussen de anus en de balzak. Dit is precies de plaats waar de bloedvaten en de zenuwen naar de penis lopen. Daardoor krijgt het geslacht te weinig zuurstof. Voor mannen die vaal op de fiets zitten kan dit op den duur leiden tot slecht functionerende zwellichamen: erectieproblemen.
Advies
Sommer raadt fanatieke fietsers aan om een breder zadel te nemen, waardoor het gewicht beter verdeeld wordt. Uit een vergelijkend zadelonderzoek bleek een dameszadel (zo’n ovale zonder neus) het minst schadelijk te zijn. Ook zouden wielrenners na elke toen minuten in het zadel even op de pedalen moeten gaan staan.
En het allerbeste advies?
Dat is om de racefiets te verruilen voor een ligfiets. Daarmee krijgt de penis nauwelijks minder bloed dan normaal.
Is dit nu desinformatie?
In mijn naaste omgeving hoor ik nu al twee mensen gieren van het lachen. Tja, het is zoals het is, en wil je meer weten?
Lees “Der Einflüss des Fahrradfahrens auf die mënnliche Sexualität: Auswirkungen auf die erektionsfunktion’ in Journal für Reproduktionsmedizin und Endokrinologie 3 (2006), 3, pp. 141 – 144

