Onzekerheid zit in onszelf, bij iedereen. We voelen ons allemaal wel eens onzeker.
Onzekerheid wil zeggen dat je aan jezelf twijfelt. Dat zit van nature niet in ons. Of heb jij wel eens gehoord dat er een onzekere baby is geboren? Er bestaat dus geen gen voor onzekerheid. Onzekerheid sluipt tijdens onze opgroei en later wanneer we ouder worden naar binnen.
Onzekerheid gaat geleidelijk en het proces is ondoorzichtig. Dagelijkse ervaringen brengen je aan het wankelen. Dat wankelen maakt dat je geleidelijk aan blijft slingeren en uit balans blijft. Dan praten we over onzekerheid.
Die onzekerheid kan over van alles gaan: hoe je er uitziet, je werkprestaties, hoe je overkomt op anderen, je toekomst, noem maar op. Het is de kunst om je eigen onzekerheid te gaan herkennen, onder ogen te zien. En vooral – omdat het niet van nature in ons zit – er vervolgens wat mee te gaan doen.
Oh jé hoor ik je zeggen, alweer die opvoeding! Ja, je ontkomt er niet aan. Het gaat bij opvoeding om hoe je ouders, vrienden, familie en aanverwanten je hebben benaderd. Die benadering heeft invloed hoe jij over jezelf gaat denken.
Als je als klein kind dagelijks kritiek krijgt (“Je bent dom” of “Dat doe ik wel want dat kun je toch niet”), begint bij jou onzekerheid te ontstaan. Zodra er onzekerheid in je is geslopen, gaat steeds sneller. Je gaat steeds meer aan jezelf twijfelen. Je gaat denken van “Ben ik dan inderdaad zo dom?” Zo vliegt je onzekerheid vooruit en dat eindigt met je eigen opvatting over jezelf “Ja, ik ben inderdaad dom.” Hoe onzekerder je bent, des te meer ben je er van overtuigd dat je niks voorstelt.
Niemand gaat zomaar aan zichzelf twijfelen. Dit kan alleen maar door invloed van anderen, plus dat je het begint te geloven. Die eerste twijfels beginnen op jonge leeftijd. En het komt niet zo vaak voor dat men pas op oudere leeftijd aan zichzelf gaat twijfelen. Als men eenmaal zelfvertrouwen heeft kunnen ontwikkelen, wordt men niet meer zo snel onzeker.
Volgens de Cochin-approach is een mens een organisme van vlees plus bloed plus gevoel. Vlees is het fysieke (je lijf, maar ook je denken). Bloed is alles wat te maken heeft met transport (bloedvat, zenuwstelsel, meridianen). En gevoel heeft alles te maken met menselijke aspecten zoals angst, passie, woede, ambitie, emotie.
Het nadrukkelijk benoemen van ‘plus’ houdt in dat al het fysieke, bloed en gevoel met elkaar samenhangt en elkaar continu beïnvloedt. Dat geheel noemt de Cochin-approach de constitutie van de mens.
Wanneer ik onzekerheid merk, dan weet ik dus dat dat op al die niveaus speelt. Ben ik bezig met die onzekerheid dan doe ik dat op al die niveaus.
Zo had ik in een projectteam iemand die graag gestructureerd wilde werken. Eigenlijk wilde hij van mij een werkverdeling hebben. Nu werk ik al vele jaren op een agile-achtige manier. Dat staat is schril contrast met de werkverdeling volgens de waterval methode. Dat maakte de mens in mijn project onzeker. Hij ging praatjes over mij vertellen. Echter het project kwam in de fase dat de gebruikersorganisatie diende te worden geïnformeerd. De betreffende mens was mede door zijn gestructureerdheid een uitstekende leraar. Ik heb hem duidelijk terechtgewezen vanwege zijn roddelen. Tegelijkertijd heb ik heb aangegeven dat ik wilde dat hij de gebruikersorganisatie ging informeren. Als reden heb ik hem aangegeven dat juist dat gestructureerde voor hem een sterk punt was en tevens een valkuil. Mentaal gaf ik hem prikkels door over zijn gestructureerdheid te praten. Fysiek gaf ik hem uitdrukkelijk letterlijk schouderklopjes. In werkoverleggen heb ik het gehad over verborgen angsten die in ons leven waren geslopen. Dat bracht bij hem een proces op gang, waar ik onder vier ogen met hem heb gesproken.
Ieder van ons heeft zijn onzekerheden, dus ook de mensen in een projectteam, in een organisatie. Het bewust omgaan met die onzekerheden en beseffen welke gevolgen acties daarop kunnen hebben. Dat is de rode draad in de cochin-approach.

