Wat is erger: iemand die voortdurend loopt te mopperen over alles en iedereen of diegene die daar nooit eens wat van zegt? Intuitief hebben we de neiging om te zeggen: die eerste! Die vertóónt tenslotte het gedrag. Nou, daarover verschillen we dan van mening want kijk maar eens waar het op uit kan draaien. Ik stel aan u voor: Eelko en Martin, klaagkampioenen.

Collega’s 
Ik zat in de trein terug naar huis en tegenover me kwamen twee mannen binnen, het waren collega’s. Ik zeg collega’s omdat het zo leek. Hij nam recht tegenover me plaats aan het raam, de ander ernaast. Zo op het eerste gezicht niets bijzonders, beide in de 50, keurig gekamd haar en in gestreept grijs costuurm. 

Toen mijn raamgenoot en ik even kort blikken uitwisselden viel me direct een boosheid in zijn gelaat op, een beetje vlammend en ontevreden, mondhoeken naar beneden, wallen onder de ogen, doffe gerimpelde huid. Het zou snel duidelijk worden hoe het zat. 

De ander
Bij de ander daarentegen aanvaardde ik iets raars. Hij keek me even aan en ik keek even terug, net lang genoeg om contact te maken maar niet zo lang dat het op staren leek. Toen hij ging zitten vouwde hij zijn handen in de schoot, zuchtte even, bijna onhoorbaar, en richtte z’n  blik naar beneden. 

Ik had er een beetje een typisch gevoel bij en ineens schoot het door me heen: die blik was leeg! Er zat niks in, geen contact, geen energie, geen sprankel van het een of ander. Bizar. 

Daar! 
De openingszin. Hij, voor het gemak noem ik hem even Martin zat nog geen minuut op zijn plek of er was buiten blijkbaar al een negatieve afwijking geconstateerd. De ander, ik noem hem maar even Eelko zei niets maar deed héél even z’n ogen dicht. Het was een soort verlengde knipper. 

Vertragingen
Er werd wat omgeroepen. De trein zou een minuut vertraging oplopen omdat er ontkoppeld moest worden. Martin keek met een ruk op zijn horloge. Blijkbaar kun je dat met een ruk doen, dat wist ik nog niet. Ruk! 

“Een minuut? Een MINUUT!? We zijn al bijna vijf minuten te laat!” 

Eelko zweeg. Ik zag z’n schouders heel lichtjes omhoog gaan, en weer neer, en daar was die knipper weer. De trein reed een stukje en kwam weer tot stilstand. 

“Zo komen we natuurlijk nóóit thuis! Wat IS dat voor flauwekul?!” 

Hij sprak voor zich uit, recht voor zich uit, het was niet noodzakelijkerwijs aan mij gericht maar meer ‘naar de wereld in het algemeen’, zo leek het. Eelko zei niets. De trein vervolgde de reis, maar héél langzaam. De machinist riep om dat we een paar minuten extra vertraging zouden oplopen omdat er een goederentrein voor ons zat en we daardoor nog geen vaart konden maken. 

“Ja, natuurlijk!” zei Martin, nu met iets meer gal. “Natúúrlijk zit er een goederentrein voor ons. Dat kan er óók nog wel bij!”. 

Eelko keek even naar links, van Martin af, en weer terug naar beneden. 

Klaagzang
De rest van de reis was een aaneengesloten klaagzang van Martin. Toen de trein eenmaal reed kruiste hij de armen over elkaar en vond hij het schokken vervelend, was het een puinhoop langs de weg, werd het eens tijd dat er wat aan die vertragingen werd gedaan, werd Nederland steeds voller en oh wat waren de ramen toch vies.

Al die tijd zat Eelko gelaten naast hem, zuchtte onhoorbaar en sloot af en toe z’n ogen. Ik betrapte mezelf er op dat ik medelijden met hem kreeg. Wat denkt die Martin wel, dacht ik, met zijn gezeur en gezanik de hele tijd! 

Maar ik had het fout! 

Ze waren beiden schuldig. Schuldig aan onnodig gemopper én aan gebrek aan ingrijpen. Het waren klaagkampioenen. Ja, Eelko ook! Martin zat vast in het klagen om het klagen, maar Eelko zei er niets van. Er niets van zeggen is als een impliciete beloning voor slecht gedrag. Ik weet niet of hij er óóit wat van zei of gezegd gehad maar dat deed er niet toe. Martin klaagde, Eelko aanvaardde. 

Mantel
Maar het is het verkeerde soort aanvaarden. Ik dacht, Eelko kan toch wel één keer zeggen “Tjee, Martin, het is ook nóóit goed met jou, he? Er zal toch wel IETS goed gegaan zijn vandaag? Kun je nou niet eens één keer iets positiefs melden?” 

Maar nee, hij onderging het geklaag gedwee, waarschijnlijk was er een hele grote mantel om het allemaal onder te bedekken maar of het een liefdesmantel was? 

Mijmeringen
Toen we bij mijn station aankwamen ontwaakte ik uit m’n mijmeringen. Dat moesten wel eenzame mensen, collega’s en toch eenzaam, bedacht ik mij. Martin spuwde gal en vuur als een langzaam schietende mitrailleur en Eelko ontweek de kogels. Martin werd oud, grijs, lelijk en verweerd van buiten; Eelko teerde weg van binnen. Ik kon de akeligheid bijna fysiek voelen. 

Dit soort ongecontroleerd klaaggedrag is uitermate onaantrekkelijk en leidt tot vervreemding en vereenzaming omdat mensen niet graag in dergelijk gezelschap verkeren. Daardoor wordt het gedrag steeds minder geadresseerd door anderen. 

Ik liep naar de deur en hoorde hem achter me nog mopperen: “Stopt deze trein bij IEDERE boom of zo? Wat is DIT nou weer voor een station?” 

Pssshhhttttt! 

De deur van de trein opende zich. Frisse lucht! Ruimte! Ontluchting! Opluchting!

De zon
Ik knipperde met mijn ogen tegen het felle zonlicht en versnelde mijn pas. Achter mij reed de trein verder en toen ik omkeek zag ik Martin nog even door het raam. Ik zag zijn vlammende ogen en zijn lippen bewegen. En ik zwéér je dat ik wist wat hij zei, alsof ik kon liplezen. En ik wist zeker dat Eelko, daarvoor hoefde ik hem niet meer te zien, nog maar eens de ogen sloot. 

Huppelen
Ik op mijn beurt haalde diep adem en betrapte me er op dat ik onwillekeurig en versneld afstand wilde nemen van zoveel negatieve energie. Het werd een soort van gekunsteld snelwandelen. Ik maakte op een gegeven moment zelfs even een paar huppeltjes achter elkaar en gelukkig, die vrouw achter de kinderwagen kon daar wel om lachen. Ik zwaaide, lachte terug en vervolgde mijn weg naar huis.

Dank Bart Flos

Roland Boukema

Author Roland Boukema

More posts by Roland Boukema

Leave a Reply